DagBoek van een Single Mom deel 4: At the hospital! 4.4 Over verblijf en herstel…



De vierde dag van mijn verblijf is een vrijdag… Het vooruitzicht naar de komst van mijn mensjes geeft me nu al energie. Mijn dokter komt langs en overtroeft me weer helemaal. Hij stelt wel vragen, maar beantwoordt die dan meteen zelf. Hoe zinloos is dat?
‘Hoe is met u mevrouw? U ziet er toch goed uit… Gisteren een moeizame dag gehad? Die is nu voorbij.’, en zo gaat hij maar door. Neemt ondertussen een kijkje naar de plaats van onheil, duwt hier en daar op de, nog vrij verse, wonde en concludeert dat alles in orde is. Ik krijg weer weinig ruimte tot enige inbreng of reactie, maar ben vastberaden om van zijn invulling van de feiten toch de mijne te maken. Ik merk dat mijn onderbuik wel heel erg gezwollen is. Bijna voltijds in bed doorbrengen geeft me daar een prima zicht op. Geef dat aan. Hij minimaliseert meteen mijn vaststellingen en uit zelfs de twijfel of er wel een verschil is met voordien… Uh? De onmiddellijke verbazing in mijn blik kan hem onmogelijk ontgaan. Ik verzeker hem dat ik perfect weet hoe ik er voordien uitzag, aangezien het mijn eigen lichaam betreft?

Wat ik eveneens aangeef is dat ik erg veel last begin te ondervinden van mijn spijsverteringsstelsel. Dat raakt stilaan compleet verstoord. Het opgeblazen gevoel, de onpasselijkheid en heftige krampen nemen alsmaar toe. Geef trouwens dagelijks aan dat ik, uit ervaring, weet dat zware verdoving mijn ganse darmconstructie lam legt. Ook daar wordt zeer vlot aan voorbijgegaan. In plaats van medicatie op te starten, zegt de man droogweg: ‘Vraag aan je bezoek om wat druiven mee te brengen. Komt wel goed. Dat is heel normaal’. Klopje op de schouder en weg is hij. Ondanks mijn verwoede pogingen tot tegenpruttelen laat hij mij evengoed achter met het gevoel dat ik totaal niet werd gehoord.

Ik wil echt een lans breken voor het verplegend personeel en mijn bewondering uiten voor de jonge generatie, die er nog met volle moed en overgave aan begint.

Na enkele dagen ziekenhuis wordt mijn idee versterkt dat dokters, net als de meeste politici trouwens, in een heel andere wereld leven dan de onze. De heren doktoren genieten hier één of andere godenstatus. Vanuit mijn positie bekeken, krijg ik de indruk dat het verplegend personeel niet eens mag denken voor zichzelf zonder toestemming van de hogere macht, laat staan dat zij enige inbreng genieten. Ze leven wel heel erg mee met mijn interne strubbelingen. Ze komen steevast poolshoogte nemen na elk doktersbezoek om te checken of er iets gezegd werd omtrent de opstart van medicatie. Ze fluisteren me tevens in dat fruit in deze toestand echt geen goed idee is en al zeker geen druiven. Ze kijken daarbij wel alsof ze verraad plegen. Het is overduidelijk voor mij dat ze wat ongerust zijn dat ik deze info aan de goden zal doorbriefen. Dat ben ik uiteraard niet van plan, want mijn ontzag en respect voor het verplegend personeel groeit hier met de minuut. Die dames lopen zich werkelijk de benen vanonder het lijf en het personeelstekort is duidelijk voelbaar.

In het vorige deel schreef ik al over mijn nogal grootse intrede die eerste dag. Het was toen meteen voelbaar dat een eerste stempel omtrent mijn persoon meteen een feit was. Oordeel is nu eenmaal des mensen. Eén dag later voel ik hun houding jegens mij al fel veranderen. Ze kletsen zelfs honderduit over hun gezin, hun kinderen, met eentje heb ik het vaak over onze gemeenschappelijke liefde voor dieren, enzovoort… Tijdens de korte tijd die ze hebben om met jou bezig te zijn is dat dan, want dat is de realiteit geworden in de zorgsector. Het lijkt een constante race tegen de tijd. Ik wil echt een lans breken voor het verplegend personeel en mijn bewondering uiten voor de jonge generatie, die er nog met volle moed en overgave aan begint.

Wat ik een geestige vaststelling vind, is dat de verpleging onderling verhalen en meningen deelt omtrent hun patiënten, wat op zich ook heel erg normaal is. Het is wanneer één van de dames me aanspreekt over mijn nachtjapon met Betty Boop erop dat ze een beetje haar mond voorbij praat en ik zo te weten kom dat ik net daarvoor over de tongen ben gegaan. Ze vraagt me lachend: ‘Die heb je toch niet toevallig gekozen?’
Ik ben echt niet mee. Zeg haar dat ik al lang blij was dat ik die nog in de kast had liggen, want ik draag al jaren geen nachtjaponnen meer.
‘Ah oké’, zegt ze, ‘wij dachten nochtans dat het geen toeval was…’
Het Betty exemplaar was wel een keuze van mijn toenmalige partner geef ik nog mee.
‘Voila’, besluit ze, ‘dan toch niet zo toevallig!’  
Nu moet ik zeggen dat de gelijkenis tussen Betty Boop en mezelf toch wat aan mij voorbijgaat…

Haar weerstand is zo vermoeiend dat dit bij mij heus pubergedrag aanzwengelt. Bij alles wat zij zegt ga ik gewoon dwarsliggen. Standaard.

Wanneer het bezoekuur aanbreekt, sta ik al op de uitkijk. Niet veel later staat iedereen daar tegelijkertijd dus verhuizen we naar de cafetaria. Zelfs mijn maatje, waarmee ik er af en toe op uit trek, staat daar geheel onverwacht. Hij schenkt me, van zijn hand, een portret van mezelf. Terwijl ik daar aan tafel zit, omringd door drie van mijn opnamebuddy’s, mijn Vriend W., mijn maatje en Zoonlief voel ik me, ondanks de bijtende pijn, zowaar gelukkig. Ik dacht er wel eens eerder aan hoe fijn het zou zijn om verschillende werelden te laten samenkomen. Zoonlief spitst de oren en vindt het amusant, want waar ik geen rekening mee hield, was dat zo’n samensmelting uitmondt in het onderling uitwisselen van anekdotes over de gemeenschappelijke factor. Er wordt wat afgelachen. ’s Avonds komen vriend P. en Deedee nog op bezoek. Van zodra die twee de deur uit zijn, begint de miserie pas goed. Ik weet geen blijf meer met mezelf en lig soms letterlijk te kronkelen op de vloer. Wat voel ik mij alleen, ellendig en verdrietig. Er woedt een heuse oorlog vanbinnen, mijn lichaam is in totaal verzet en er is geen instant oplossing. Er wordt ’s nachts nog een doktersassistent bijgehaald, waardoor medicatie eindelijk wordt opgestart. Jammer dat dit niet eerder gebeurde. Mijn oprechte dank gaat nog uit naar de nachtzuster, die uit eigen beweging af en toe haar hoofd binnenstak in mijn kamer, puur uit bezorgdheid.

Na een korte, helse nacht voel ik meteen wat voor dag die vijfde op rij zal worden: de apotheose van een week, waarin controle loslaten, verdovende middelen, chronisch slaaptekort, pijn en ongemak centraal stonden. Ben ook, voor mijn doen, al lang en ver weg van mijn bunker en ik mis mijn katjes. Rust vind je niet in een ziekenhuisbed en dat begint door te wegen op mijn gemoed. Daarnaast ben ik zo opgeblazen als een ballon en zie er letterlijk zwanger uit (en dat zonder baarmoeder… zie er de grap wel van in). Vandaag is eveneens de dag waarop hormonen bruusk ontwaken en emotrips de dienst uitmaken. Met ‘emotrips’ benoem ik mijn momentjes waarbij ik van de ene in de andere emotie terecht kom en daar dan eventjes in doorschiet. Het begint al bij het dwarsliggen tegenover de verpleging. De eerste die binnenkomt treft me in tranen aan. Ze heeft mijn medicatie mee en probeert me wat te sussen. Als ik haar een emotionele opsomming geef van de feiten die geleid hebben tot deze toestand, schiet zij meteen in de verdediging, terwijl er niet één verwijt zit in mijn relaas. Ik som gewoon de feiten op, zonder met de vinger te wijzen. Haar weerstand is zo vermoeiend dat dit bij mij heus pubergedrag aanzwengelt. Bij alles wat zij zegt ga ik gewoon dwarsliggen. Standaard. Heb daar dan al even snel weer spijt van en laat het puberaal gedrag achterwege.   

Hij vindt me grappig, zelfs als ik me boos maak. ‘Oké. Bedankt? Maar heb je de info mee?’

Wat later… Komt er een dokter binnen… Niet de mijne, wel zijn collega, nog onwetend wat hem te wachten staat. Hij wandelt gewoon mijn bed voorbij, want zijn aandacht wordt meteen getrokken door het portret dat ik cadeau kreeg. Hij is onder de indruk en vindt de gelijkenis treffend. Mijn gedachten op dat moment? Ja, negeer mij hier maar… Portret kopen anders? Om in uwe living te hangen? Nadat hij uitgepraat is over en uitgestaard is naar het portret, gaat hij toch over tot de orde van de dag. Als ook hij het woord ‘normaal’ in de mond neemt, betreffende de problemen met mijn interne keuken, word ik boos.

‘Ik begrijp iets niet’, steek ik van wal, ’Er wordt hier tot vervelens toe, minstens 10 keer per dag, gevraagd ‘of ik al windjes laat’? Telkens opnieuw zeg ik nee, telkens opnieuw geef ik aan dat narcose eerder al problematisch bleek voor mijn lichaam. Wat gebeurt er met die informatie? Niks! Overbodige vraag, lijkt me dat dan. Als je dan op een nacht ligt te kronkelen en er wordt weer eens doodleuk gezegd dat dit héél normaal is, dan word ik daar uiteindelijk heel pissig van! Weet je wat ik als normaal beschouw? Dat er geluisterd wordt naar de patiënt en dat er ook effectief iets gedaan wordt met de verkregen informatie. Had mij heel wat ellende bespaard, want normaal of niet, u bent niet degene die er de last van ondervindt. U ziet er niet uit alsof u thuis hoort op de afdeling materniteit!’ De man laat me razen, luistert geduldig en grinnikt zelfs een beetje. Hij vindt me grappig, zelfs als ik me boos maak.
‘Oké. Bedankt? Maar heb je de info mee?’

Hij vraagt me om de getergde zone te ontbloten ter controle. Terwijl ik dat doe, houd ik ondertussen een kleurrijk relaas over de opvallende zwelling. ‘Doe een playmobil mannetje skietjes aan en die kan perfect schansspringen op mijn buik.’
Daarop krijg ik het volgende te horen: ‘Laat ons eerlijk zijn… je had al geen maatje 36 toen je hier binnenkwam.’
Wauw! Merci! Ik ben op dreef, dus gevatte antwoorden laten niet lang op zich wachten.
‘Euh, ik weet ook wel dat ik Barbie niet ben, maar wat ik wel perfect weet, is hoe ik eruit zag voor ik hier wakker werd met een buidel aan mijn lijf!’
‘Jij bent echt grappig!’, zegt hij en komt bijna niet meer bij.
Daarop begin ik dan weer te huilen. Lang leve de emotrips!

‘Ik denk dat gij nogal een pateeke zijt’, zegt hij en het enige wat er nog aan mankeert is een stevige kneep in mijn kaak.

De man probeert me te troosten met het voorstel om naar huis te gaan. Naar zijn mening zal ik dit weekend vast niet doodvallen. Ik vind dat een beetje een ongelukkige woordkeuze maar alvast zeer geruststellend! Wat ik wel moet toegeven, is dat het me aangenaam verrast dat hij aanvoelt dat ik me in de hoogste staat van overprikkeling bevind en dringend op mezelf moet zijn, in een voor mij vertrouwde omgeving, om de voorbije week op mijn manier te verwerken. Hij laat de keuze geheel aan mij over, want nog een dagje blijven en mij daar laten verzorgen vindt hij ook geen slechte optie. Wanneer hij hoort dat ik geen partner heb, twijfelt hij zelfs even om me nu al te laten gaan. Ik verzeker hem dat mijn zoon en ik plantrekkers zijn en dat mijn kind de zorg voor mij met veel liefde zal dragen. Ik zie de twijfel in zijn ogen. Die man kent ons duidelijk niet.      

Wanneer hij aanstalten maakt om te vertrekken, houd ik hem nog even staande, geef hem mijn visitekaartje en zeg hem dat, mocht ik, tegen alle verwachtingen in, toch doodvallen dit weekend, hij tenminste kan zeggen dat hij mij gekend heeft. Hij lacht alweer smakelijk, bekijkt het kaartje en vraagt: ‘Oei, ga ik verschijnen op je blog?’
‘Die kans is ondertussen vrij groot ja’, en daarbij knik ik bevestigend.
‘Ik denk dat gij nogal een pateeke zijt’, zegt hij en het enige wat er nog aan mankeert is een stevige kneep in mijn kaak.
Net voor hij de deur opent en verdwijnt, vraagt hij nog: ‘En? Ga je binnenkort nog eens poseren voor een portret?’
‘Goh’ zeg ik, en ‘ik kijk naar beneden, naar mijn opgeblazen lichaam, en kan het niet laten nog een laatste sneer te geven, ‘dan zal dit lijf toch eerst terug wat moeten ontzwellen!’
‘Waarom?’, vraagt hij laconiek, ‘Wordt het een naaktportret misschien?’
Rare mens ook al!

Het slot van deze reeks ‘At the hospital’, zijnde ‘4.5 Over thuiskomst en herstel…’, is ondertussen ook beschikbaar!

Blijf op de hoogte van deze blog.